Rokerij

Hogerop

De gebroeders Smit namen het echter niet en gingen tegen de uitspraak in beroep.
Het College kon niets anders doen dan een uitgebreid onderzoek instellen naar de schadelijkheid van een rokerij voor de omliggende bewoners. Men trok naar Monnickendam, waar men al jarenlang ervaring had met rokerijen en de schade daarvan voor omwonenden. Nu stonden in die tijd in Monnickendam zoveel rokerijen, dat bijna alle inwoners als omwonenden beschouwd konden worden. En wat bleek: de mensen hadden daar helemaal geen last van; het water in de regenputten smaakte niet naar roet; hun hele leven woonden zij al temidden van vis en smook. Zij roken het niet eens meer, sterker, zij vonden de rookgeur wel lekker. Dat alles hoorde bij hun stad. Als zij naar Amsterdam waren geweest en daarna Monnickendam weer inliepen en de geur van de bokkumhangen roken, wisten ze dat ze weer ‘thuis’ waren. En brandgevaar voor de omgeving? Alle rokerijen waren geheel van steen opgebouwd; en steen brandt niet. De visrokers konden met vuur omgaan; er was wel eens een binnenbrandje, maar er stonden altijd emmers water klaar om het vuur te doven. Daar liepen de omliggende huizen geen gevaar bij.