Rokerij

Flinke bezwaren

De gemeente ging niet over één nacht ijs en belegde een vergadering in het stadhuis van Edam. De bewoners van de omliggende huizen waar de rokerij zou komen kregen een uitnodiging voor deze vergadering om het probleem van rookoverlast te bespreken. Als eerste kwam er een fel protest binnen van Klaas Mol, winkelier in het huis nummer 108, wiens opslagplaats pal achter de plek van de rokerij stond. In dat pakhuis lag het hele jaar door veel brandbaar spul opgeslagen. Hij had niet alleen overlast van de stank van de bokkingrook in zijn winkel, maar - wat nog erger was – het brandgevaar voor zijn opslagplaats! Daarna vroegen de drie omwonende vissers het woord, te weten Evert Tuijp, wonende op nummer 110, Jan Jacobszoon Kwakman, op nummer 113, en Bruin Kil, op nummer 114. Alle drie hadden overwegende bezwaren tegen de rook en het vermoeden dat hun drinkwater, dat vanaf hun dak naar de regenput liep, door de rook en het roet bevuild ging worden en daardoor niet meer te drinken zou zijn. Tevens vreesden zij het
brandgevaar, omdat de belendende huizen van hout waren opgetrokken. Dat feit samen met de opslag van brandstoffen in het pakhuis van Klaas Mol, zou de brandgevaarlijke situatie nog zorgwekkender maken. Daarbij kwam nog dat het bleekveld achter de woningen van Evert Tuijp en de erfgenamen Smit gezamenlijk eigendom was.
Al deze klachten legden zoveel gewicht in de schaal, dat het gemeentebestuur overstag ging. Hun bezwaar tegen de bouw van de rokerij werd aangenomen en de bouw van de rokerij afgewezen. De gebroeders Smit mochten hun rokerij niet bouwen.