Rokerij

Het ontstaan van palingrokerij Smit-Bokkum

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen de eerste industriële bedrijven in Volendam. De gemeente hechtte nog niet veel waarde aan de bouwvoorschriften aangaande de overlast voor de omwonenden voor wat betreft de stank en de hygiëne. Meestal keurde men de plannen goed; het gaf werkgelegenheid en dat was het belangrijkste.
De eerste plannen
Evert Janszoon Smit, vissersknecht te Volendam, verzocht in 1852 om achter zijn huis, staande in wijk 7, nummer 88, een schuur te bouwen, om daarin vis te drogen. Evert kreeg direct toestemming en kon in de loods, die midden tussen de woningen stond, zijn botjes en scharretjes drogen en ook wat bokkingen roken. Maar al gauw zag Evert in dat hij meer kon verdienen met vis roken dan met vis drogen. Hij vroeg daarom aan de gemeente of hij de schuur achter zijn huis mocht inrichten voor het roken van bokking. De bouw hiervan had de gemeente het jaar daarvoor al toegestaan. Hij verzocht tevens het schuurtje te mogen vergroten naar de kant van de sloot. De stadsarchitect stelde zich op de hoogte van de situatie en vond de ruimte voor een rokerij wel heel erg klein. Daarom diende Evert Smit, die nu bij de gemeente ingeschreven stond als visroker te Volendam, een verzoek in voor de bouw van een bokkinghang of rokerij van 4 meter lang en 3,5 meter breed. De gebroeders Jan en Evert Smit hadden van hun moeder, de weduwe Smit, en de overige erven van Klaas Smit, de vrijheid gekregen om op het erf achter de twee huizen, staande in wijk 7 nummer 111 en nummer 247 een visrokerij te bouwen.
Dat was iets nieuws in de gemeente Edam; er waren in die tijd nog geen rokerijen. Zou dat niet teveel stank veroorzaken in Volendam, zo midden in de oude kom van wijk zeven?